Factsheet toestand en ecologische sleutelfactoren (DIPS)

Hoofdlijnen

Beschrijving van het gebied en watersysteem op hoofdlijnen

Het Vinkeveense plassen (NL11_3_4) heeft watertype Matig grote diepe gebufferde meren (M20) en bestaat uit de deelgebieden: 2500-EAG-3 (Polder Groot Wilnis Vinkeveen, Kleine plas), 2500-EAG-4 (Polder Groot Wilnis Vinkeveen, Zuidplas), 2500-EAG-5 (Polder Groot Wilnis Vinkeveen, Noordplas).
De Vinkeveense plassen is een gebied met sloten en legakkers die overlopen in plassen, in een karakteristieke waaiervorm, in de gemeente De Ronde Venen. Ze zijn ontstaan door veenwinning, in de periode 1950-1975. De Vinkeveense plassen bestaan uit een noordelijke en een zuidelijke plas, gescheiden door de Baambrugse Zuwe. De provinciale weg N201 scheidt de zuidelijke plas in twee delen (Zuidplas en Kleine plas). De drie plassen vormen één oppervlaktewater-systeem en zijn onderling op meerdere plekken verbonden. De plassen grenzen aan Botshol. Soms wordt water ingelaten vanuit de Vinkeveense plassen naar Botshol. Na de oorlog was er grote behoefte aan zand en is in de Noordplas zand gewonnen tot ca. 50 meter diep. Om het omliggende land te beschermen tegen de golfslag werden zandeilanden aangelegd. Deze worden (nog steeds) gebruikt voor (dag)recreatie. Het Recreatieschap de Vinkeveense plassen beheert de plassen. De Vinkeveense plassen liggen in de polder Groot-Wilnis Vinkeveen Noord en maken onderdeel uit van de Vinkeveenboezem, die als tussenboezem functioneert in het gehele gebied de Ronde Venen. De relatief hooggelegen boezem en de gebieden met min of meer het tussenboezempeil (de bovenlanden, veenweiden en petgaten/plassen) hebben een sterk infiltrerend karakter. De plassen liggen ca. 4 meter hoger dan de naastliggende polder Groot Mijdrecht. De laaggelegen droogmakerijen zijn overwegend kwelgebieden. Door de lage weerstand van de bodem is de omvang van infiltratie uit de Vinkeveense plassen naar Groot Mijdrecht aanzienlijk. Behalve water uit de direct omringende gebieden kwelt in polder Groot Mijdrecht ook water op dat op de Utrechtse Heuvelrug is geïnfiltreerd. Als gevolg van de infiltratie hebben de hoger gelegen gebieden (waaronder de plassen) vaak een watertekort, vooral in de zomerperiode, waardoor de toevoer van water noodzakelijk is. Het toegevoerde water is veelal afkomstig van het Amsterdam-Rijnkanaal. Het wateroverschot uit polder Wilnis-Veldzijde stroomt in perioden van waterbehoefte ook naar de Vinkeveense plassen. Het inlaatwater dat nodig is voor peilbeheer van de Vinkeveense plassen wordt gedefosfateerd.
Onze gebiedspartners zijn provincie Utrecht en gemeente(n) De Ronde Venen. Het waterlichaam Vinkeveense plassen heeft de status Natuur Netwerk Nederland (NNN) en is in eigendom van Recreatie Midden Nederland.

Ligging en beeld

Het ecosysteem ziet eruit als onderstaand beeld

Ligging waterlichaam

Ligging deelgebieden

Toestand

Ecologische analyse op hoofdlijnen

De doelen
Het KRW-doel is het realiseren van een goede ecologische toestand voor Matig grote diepe gebufferde meren (M20), met scores voor fytoplankton, macrofauna, waterflora en vis in het groen.

De huidige toestand vergeleken met de doelen –matig
De toestand in Vinkeveense plassen (zwarte lijnen in de figuur hiernaast) is matig. Het slechts scorende biologische kwaliteitselement is Ov. waterflora. De slechts scorende deelmaatlat van dit kwaliteitselement is Soortensamenstelling macrofyten.

De waterkwaliteit van de Vinkeveense plassen is sterk vooruitgegaan sinds de dorpen Vinkeveen en Wilnis vanaf 1979 niet meer hun afvalwater ongezuiverd lozen op de plassen en er een defosfateringsinstallatie is gebouwd. Zowel in de Noord- als Zuidplas is dat te merken aan de sterke toename van kranswieren, fonteinkruiden, bronmos en twee zeldzame licht brakwatersoorten: gesteelde zannichellia en snavelruppia. Ook de macrofauna neemt toe in soortenrijkdom. In de Kleine plas zijn bloeien er minder vaak blauwalgen. De bijzondere natuurwaarden zijn met name gebonden aan het water en niet zozeer aan het land. De waterkwaliteit is de bepalende factor voor de natuurwaarden. De omstandigheden op de plassen zijn dusdanig goed (goed doorzicht, lage nutriënten belasting) dat karakteristieke kranswiersoorten tot ontwikkeling kunnen komen. Op enkele plaatsen is ook moerasvegetatie aanwezig. Het heldere, vrij voedselarme water maakt ook dat enkele bijzondere vissoorten voorkomen in de Vinkeveense plassen, zoals de kwabaal. Daarnaast foerageren er in de winter diverse soorten duikeenden en broeden er Krooneenden. Beide foerageren met name op de kranswieren.

Oorzaken op hoofdlijnen
De waterkwaliteit van de Vinkeveense plassen is over het geheel genomen goed. De kwaliteit wordt beïnvloed door inlaat van gebiedsvreemd water (water afkomstig vanuit het Amsterdam-Rijnkanaal), lozingen op de plas en belasting vanuit omliggende (landbouw)gebieden. De plassen liggen ca. 4 meter hoger dan de naastliggende polder Groot Mijdrecht. Als gevolg van de sterke wegzijging naar de polder Groot Mijdrecht zouden in een droge periode de plassen verdrogen indien er geen water van extern wordt aangevoerd. Deze extra aanvoer zorgt ook voor een extra fosfaatbelasting van de plassen. Defosfatering van dit inlaatwater is een effectieve maatregel om de extra fosfaatbelasting als gevolg van de wegzijging naar de Polder Groot Mijdrecht te compenseren. Medio 2008 is een defosfateringsinstallatie gerealiseerd achter de Demmerik om de fosfaatbelasting van de plassen terug te dringen. De fosfaatbelasting gaat de goede kant op, maar extra belasting kan dit evenwicht eenvoudig verstoren. Intensiever recreatief gebruik (los van eventuele ontwikkelmogelijkheden) brengt ook het risico van extra lozingen op de plassen met zich mee.

Maatregelen op hoofdlijnen
De maatregelen zijn gericht op het verder verminderen van de fosforbelasting, bijvoorbeeld door het optimaliseren van waterstromen en de defosfateringsinstallatie. Daarnaast zijn er maatregelen gericht op verbeteren van de habitatomstandigheden, zoals aanleg van natuurvriendelijke oevers, en maatregelen gericht op het verminderen van de impact van recreatie.

Toestand

Huidige toestand vergeleken met doelen.De achtergrondkleuren in het figuur staan voor de klasseindeling van het huidige doel in de linkerbalk (SGBP2) en het technisch aangepaste CONCEPTdoel voor SGBP3 rechts. Wanneer de zwarte streep over de groene achtergrondkleur (GEP) valt is het doel gehaald.

Huidige toestand vergeleken met doelen.De achtergrondkleuren in het figuur staan voor de klasseindeling van het huidige doel in de linkerbalk (SGBP2) en het technisch aangepaste CONCEPTdoel voor SGBP3 rechts. Wanneer de zwarte streep over de groene achtergrondkleur (GEP) valt is het doel gehaald.

Ecologische sleutelfactoren

Ecologische sleutelfactoren

esficon Productiviteit water is nu goed, maar staat onder druk. Chlorofyl-A concentraties (algen) liggen praktisch altijd onder de detectiegrens. Alleen in de kleine plas zijn nog algenbloeien te meten. In 2018 zijn dit blauwalgen. In de jaren hiervoor lijken het vooral minder schadelijke diatomeeën. In de kleine plas is de fosforbelasting nog te hoog, vanwege de grote hoeveelheid "“doorstroomwater”" dat via de kleine plas wordt afgevoerd naar gemaal de Ruiter. De Vinkeveense plassen zijn erg gevoelig voor een kleine verhoging in de fosforbelasting, dus (illegale) lozing van ongezuiverd afvalwater zijn een risico voor de waterkwaliteit in de plas.
esficon Lichtklimaat vormt geen probleem. Er valt in een groot deel van het areaal tot 7 meter diep voldoende licht op de bodem. In de kleine plas is er lokaal onvoldoende licht door algen in combinatie met grote waterdiepte.
esficon Productiviteit bodem vormt geen probleem. Lokaal is er wel hoge bedekking van bronmos. Het grootste areaal van de plassen heeft een matig voedselrijke waterbodem (800 mg/kgdg). Alleen lokaal in het westen is er sprake van een mogelijk voedselrijke waterbodem.
esficon Habitatgeschiktheid vormt een probleem. De bedekking met oever- en emerse planten is laag in de Zuid- en Kleine plas en de plassen hebben slechts een klein areaal tussen 0 en 1 meter waterdiepte, waar emerse vegetatie zich goed kan ontwikkelen. Schaduw door bomen, het type beschoeiing en afkalving van oevers in combinatie met een zeer beperkt ondiep areaal beperkt de ontwikkeling van emerse vegetatie (riet, egelskop). Het dumpen van tuinafval en makkelijk afbreekbare soorten hout in de oevers van de legakkers vormt een risico. Soms gebeurt dit met de bedoeling om afslag tegen te gaan.
esficon Verspreiding vormt een probleem. Kwabaal komt voor in Vinkeveen. Voor kwabaal is het van belang dat er voldoende verbinding is tussen ondiep water in de tussenboezem en het diepe water van de plas. Voor de paling vormt gemaal de Ruijter een migratieknelpunt.
esficon Verwijdering vormt mogelijk een probleem. Vraat door ganzen kan een mogelijk knelpunt vormen voor de ontwikkeling van oevervegetatie.

Bron

Deze factsheet is gebaseerd op de KRW toetsing aan (maatlatten 2018) uit 2019, begrenzing waterlichamen 2015-2021, hydrobiologische data 2006-2018 en conceptmaatregelen en doelen voor SGBP3 en Evaluatie maatregelen tussenboezem Vinkeveen (2017), MER-rapport Plassengebied gemeente De Ronde Venen (2017).

Maatregelen (R)

SGBP 1 en 2 maatregelen die (deels) zijn uitgevoerd

SGBP 1 en 2 maatregelen in planvorming

SGBP 1 en 2 maatregelen die zijn gefaseerd

SGBP 1 en 2 maatregelen die zijn ingetrokken of vervangen

Nieuwe maatregelen voor SGBP3 tov totaal aantal maatregelen

Maatregelen

ESFoordeel SGBPPeriode Naam Toelichting Initiatiefnemer Gebiedspartner UitvoeringIn afweging
esficon SGBP3 2021-2027 Optimaliseren defosfateren Vinkeveense plassen Ook defosfateren in de winter en evaluatie effectiviteit en rendement na 2 jaar. Daarnaast is er een extra investering nodig in monitoring: de debietsproportionele monsterkast moet worden hersteld of vernieuwd en de phosphax moet worden onderhouden. Ook is het wenselijk dat het beheer en onderhoud wordt verbeterd en geintensiveerd: frequenter gebaggerd en bagger verwijderd in de watergang nabij de defosfatering en in de vlokvormingskanalen. Aangezien er in de zomer weinig ortho-fosfaat in het water zit is het rendement van fosfaatverweidering erg laag in de zomer. Wanneer er een polymeer of een ander vlokmiddel wordt toegepast kan particulair fosfor (algen en deeltjes) beter worden verwijderd: dit vraagt om een groter beheer en onderhoudsbudget en aanvullend onderzoek voor het opstellen van een nieuw procesprotocol. Waterschap Amstel Gooi en Vecht geen 2015-2021 in uitvoering
SGBP3 2021-2027 Maatregelen landbouw om nutrientenbelasting op de waterlichamen te beperken fase 2 Deze maatregel wordt uitgevoerd in meerdere waterlichamen: Amstellandboezem, Vaarten Ronde Hoep, Vaarten Groot Mijdrecht, Vaarten Westeramstel, Vaarten Ronde Venen, Vaarten Zevenhoven, Tussenboezem Vinkeveen a, TussenboezemVinkeveen b, Vinkeveense Plassen, Vecht, Vaarten Vechtstreek, Stichts nkeveense Plassen, Kortenhoefse Plassen, Spiegelplas, Wijde Blik, Loosdrechtse Plassen, Steren Zodden, Molenpolder en Tienhoven Waterschap Amstel Gooi en Vecht DAW, agrarische collectieven, studieclubs, bedrijven 2021-2027 stimuleren
SGBP3 2021-2027 Gemeente, plassenschap en waterschap stellen een gezamenlijk plan voor ecologisch herstel en het voorkomen van ahteruitgang (door recreatie) op voor de plassen. De provincie heeft de VVP begrensd als natuur. De gemeente is deel eigenaar en het recreatieschap is beheerder. Al deze partijen zijn met het waterschap verantwoordelijk voor het halen van de KRW-doelen. Overleg tussen deze partijen, zowel ambtelijk als bestuurlijk, is noodzakelijk om de natuurdoelen te halen. Verkoop van legakkers aan particulieren en toename van recreatie mogen niet leiden tot achteruitgang van de natuurwaarden. Als maatregel kan worden opgenomen om een gezamenlijk plan voor de plassen op te stellen, waarin de KRW-doelen verankerd zijn. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht Gemeente de Ronde Venen, Recreatie Midden-Nederland 2021-2027
SGBP3 2021-2027 Ontvangstvoorziening vuilwatertanks, varende voorziening VVP Varend publiek toilet, idem voor Wijde Blik Gemeente de Ronde Venen 2021-2027 in uitvoering
SGBP2 2015-2021 Maatregelen landbouw om nutrientenbelasting op de waterlichamen te beperken fase 1 Deze maatregel wordt uitgevoerd in meerdere waterlichamen: Amstellandboezem, Vaarten Ronde Hoep, Vaarten Groot Mijdrecht, Vaarten Westeramstel, Vaarten Ronde Venen, Vaarten Zevenhoven, Tussenboezem Vinkeveen a, TussenboezemVinkeveen b, Vinkeveense Plassen, Vecht, Vaarten Vechtstreek, Stichts nkeveense Plassen, Kortenhoefse Plassen, Spiegelplas, Wijde Blik, Loosdrechtse Plassen, Steren Zodden, Molenpolder en Tienhoven Waterschap Amstel Gooi en Vecht DAW, agrarische collectieven, studieclubs, bedrijven 2015-2021 in uitvoering
SGBP1 2009-2015 Defosfateren Vinkeveense plassen Het gaat om het toepassen van beheermaatregelen om de wateraanvoer naar de Vinkeveense plassen te defosfateren Waterschap Amstel Gooi en Vecht geen 2009-2015 uitgevoerd
SGBP1 2009-2015 Onderzoeken optimalisatie Vinkeveenboezem Een onderzoek naar de mogelijkheden om de waterafvoer van een deel van de tussenboezem via nieuw gemaal Mennonietenbuurt naar Amstel af te voeren.Onderzoek heeft geresulteerd in het aanleggen en vispasseerbaar maken van een nieuwe gemaal Pondskoekersluis Waterschap Amstel Gooi en Vecht Recreatie Midden-Nederland 2009-2015 uitgevoerd
Niet opgenomen in SGBP Optimalisatie (waterstromen) Vinkeveenboezem Aanleg pondkoekersluis: realisatie in 2015. 2015-juli 2016 max capaciteit van 40 m3/min. Vanaf juli 2016 op volle (80m3/min) capaciteit. Waterschap Amstel Gooi en Vecht geen 2015-2021 uitgevoerd
Niet opgenomen in SGBP Polder Demmerik effectiever afvoeren Operationele instellingen gemaal Demmerik en de Ruijter aangepast: Deze maatregel zorgt ervoor dat het water uit polder Oukoop en Demmerik de zuidplas niet belast maar direct wordt afgevoerd (door gemaal de Ruijter) richting Angstel. Waterschap Amstel Gooi en Vecht geen 2015-2021 in uitvoering
esficon SGBP3 2021-2027 Verwijderen boom-, struik- en groenopslag langs de oevers VVP. Wanneer oevers goed onderhouden worden (geen tuinafval, geen bomen, voorkomen overmatige ganzenvraat) dan beschermen de oeverplanten legakkers en eilanden tegen afkalving en is vervanging van dure beschoeiingen niet nodig. Oevers die, door een lange strijklengte te lijden hebben van intensieve golfslag, zijn gebaat bij de aanleg van een golfbreker. Deze kan bestaan uit een balk of plank op de waterlijn, op enkele meters van de oever. Deze maatregel heeft ook invloed op ESF4, habitatgeschiktheid. Omvang: 75% bomen verwijderen, 25% past in parklandschap Recreatie Midden-Nederland Gemeente de Ronde Venen, Waterschap Amstel Gooi en Vecht 2021-2027 stimuleren
esficon SGBP3 2021-2027 Aanleg NVO stimuleren Gemeente, Recreatieschap en eigenaren zijn niet verplicht om de oevers op een natuurvriendelijke manier aan te leggen. Wanneer het waterschap de meerkosten (tussen een harde en een nvo) betaalt dan kan het ook als een AGV maatregel worden opgenomen. Het gaat om de aanleg van NVO`s langs legakkers. De VVP zijn door de provincie Utrecht begrensd als natuur. De meeste legakkers in de VVP hebben een harde beschoeiing, waardoor de oevernatuur grotendeels ontbreekt. Oevers zijn belangrijk voor vissen (om in te paaien), voor amfibieën en de ringslang (als leefgebied), voor waterinsecten (zoals libellenlarven), voor watervogels en zoogdieren (zoals de Waterspitsmuis en de Noordse woelmuis). Wanneer oevers ontbreken, kunnen natuurdoelen in waterrijke gebieden (o.a. KRW-doelen) niet gehaald worden. Door de vele legakkers in de VVP is er potentieel veel oevermilieu aanwezig. Een goede natuurvriendelijke oever bestaat uit oeverplanten (o.a. gele lis, kattenstaart, egelskop, mattenbies, riet, lisdodde) die in het open water staan. Hierdoor kunnen dieren die in het water leven gebruik maken van de natuur in de oever. Gemeente de Ronde Venen Recreatie Midden-Nederland 2021-2027 niet effectief
SGBP3 2021-2027 Stimuleren aanleg emerse vegetatie op verzonken legakkers In de VVP zijn veel legakkers onder water verdwenen. Een deel van deze verzonken legakkers kan, bv met grond van andere verzonken legakkers worden opgehoogd en ingeplant met oeverplanten. Tijdelijke bescherming tegen ganzenvraat en golfslag is voor een goede ontwikkeling noodzakelijk. Maaibeheer moet voorkomen dat er op termijn bomen gaan groeien, waardoor de oevervegetatie verdwijnt en de legakker weer afkalft. Ook hier zou het waterschap een stimuleringsregeling voor in het leven kunnen roepen. Gemeente de Ronde Venen Recreatie Midden-Nederland 2021-2027
SGBP3 2021-2027 Leidende principes vastleggen in beleid van het waterschap (KEUR) en omgevingsvisies (gemeenten, provincies) om natuurwaarden te behouden bij vervangen van beschoeiing en onderhoud plus communicatie bewoners Geldt voor alle waterlichamen. Waterschap Amstel Gooi en Vecht Gemeente De Ronde Venen, Provincie Utrecht 2021-2027
SGBP1 2009-2015 Onderzoeken maatregel natuurvriendelijke oevers Vinkeveense plassen Een onderzoek naar de mogelijkheden om natuurvriendelijke oevers in het plassengebied te realiseren Waterschap Amstel Gooi en Vecht geen 2009-2015 uitgevoerd
SGBP1 2009-2015 Toepassen ecologisch onderhoud oevers hoofdwateren - fase 1 Een gebiedsbrede maatregel in alle waterlichamen Waterschap Amstel Gooi en Vecht geen 2009-2015 uitgevoerd
esficon SGBP2 2015-2021 Vispasseerbaar maken van sluizen, gemalen en stuwen - fase 2 Gemaal de Ruiter is niet passseerbaar en niet veilig voor vis. Passage wordt meegenomen bij de renoatie van het gemaal. Er komt geen 2-zijdige vispassage in één kunstwerk. De pomp wordt visveilig, passage richting de plassen wordt mogelijk gemaakt door een ecoschutprogramma op de sluis te zetten. Glasaal, en ook andere vissoorten kunnen dan via de sluis intrekken. Er moet hierbij wel opgelet worden dat het ecoschutprogramma niet tot een grotere hoeveelheid inlaatwater richting de plassen leidt. De optie viswering, oude pompen handhaven en migratie beide kanten op via de sluis, is afgevallen. Dit omdat een viswering die tevens zelfreinigend is, erg duur is en we er geen ervaring mee hebben. Dit is een complexe maatregel, want de oude pompen en gemaal De Ruiter zijn een monument. De oplossingsrichting is compacte nieuw veilige pompen onder maaiveld en leidingen om het gemaal heen door de grond. Waterschap Amstel Gooi en Vecht geen 2015-2021 planvorming
esficon SGBP3 2021-2027 Ganzen beheren, structureel door populatiebeperking Een maatregel in alle WLen waar een sterke graasdruk op helofyten bestaat. Door ganzenbeheer krijgen met name rietoevers meer kans tot ontwikkeling te komen, wat belangrijk is voor de instandhouding van de populatie Grote Karekiet en andere moerasvogels (Natura2000-doel). De provincie neemt noodmaatregelen (afvangen van ruiende ganzen en plaatsen van rasters bij bedreigde rietkragen), vooruitlopend op een structurele aanpak. Bij de aanleg van natuurvriendelijke oevers is het belangrijk jonge aanplant te beschermen (bijvoorbeeld met gaas) tegen vraat. Provincie Utrecht Recreatie Midden-Nederland 2021-2027

Disclaimer: SGBP3 maatregelen zijn nog niet bestuurlijk vastgesteld en kunnen nog worden gewijzigd.

Toelichting en onderbouwing ESF-en, monitoring en begrenzing

Motivering KRW status en herbegrenzing

Geen herbegrenzing nodig.

Monitoringswensen

In dit waterlichaam wordt de vegetatie 1 keer per 3 jaar gemeten. Macrofauna wordt 1 x per 6 jaar gemeten. Fytoplankton wordt 1 keer per 6 jaar gemeten. Vis wordt 1 x per 3 jaar (operationeel) gemeten. Daarnaast worden maandelijks verschillende fysisch chemische parameters gemeten in het waterlichaam en het inlaatwater van het waterlichaam.

Indicatoren ESF

ESF 1: Productiviteit

Fosforbelasting per bron (bar) en kritische belasting (rode stip is berekend met PCDitch, roze stip met PCLake).

Fosforbelasting per bron (bar) en kritische belasting (rode stip is berekend met PCDitch, roze stip met PCLake).

ESF 2 en 4: Lichtklimaat en waterdiepte

Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.

Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.

Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.

Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.

ESF 1 en 3: Waterbodem

Nalevering en voedselrijkdom waterbodem.

Nalevering en voedselrijkdom waterbodem.

Brondata: water- en stoffenbalansen

Brondata: Monitoringsresultaten uit meetprogramma`s fysisch-chemie en hydrobiologie

Brondata: Monitoringsresultaten uit meetprogramma waterbodemchemie

Begrippenlijst en afkortingen

Waterlichaam De waterlichamen vormen de basisrapportageeenheden van de KRW. Op basis van artikel 5 KRW zijn in 2004 Nederlandse oppervlaktewateren aangewezen als KRW-waterlichamen: natuurlijk, kunstmatig2 of sterk veranderd. Een oppervlaktewaterlichaam kan als kunstmatig of sterk veranderd worden aangewezen vanwege ingrepen in de hydromorfologie (art. 4 lid 3 KRW), die het bereiken van de Goede Ecologische Toe-stand verhinderen. In Nederland zijn vrijwel alle waterlichamen kunstmatig of sterk veranderd.

Emerse waterplanten Emerse waterplanten steken gedeeltelijk boven het wateroppervlak uit en wortelen in de (water)bodem.

Helofyten De moerasplanten of helofyten kan men vinden in vochtige gebieden, oevers, tijdelijke wateren en overstromingsgebieden. Typerend voor vele moerasplanten is dat ze zich hebben aangepast aan een droge periode (zoals het uitdrogen van een rivierbedding) en een periode van gedeeltelijke of volledige onderdompeling. Voor sommige soorten is deze afwisseling noodzakelijk voor het bestaan. Terwijl de ‘echte’ waterplanten niet in de bodem wortelen en vaak onder water kunnen leven (met uitzondering van de bloeiwijzen), wortelen de helofyten of moerasplanten in de bodem en steken gewoonlijk boven de wateroppervlakte uit.

Submerse waterplanten De term submers (ondergedoken) wordt gebruikt voor waterplanten die geheel onder water groeien. Alleen de bloeiwijze kan bij sommige soorten boven het water uitsteken.

Hydrofyten De ‘echte waterplanten’ of hydrofyten komen voor in stilstaande of traag stromende permanente meren of rivieren. Deze planten zijn aangepast aan een submers leven. Indien het biotoop uitdroogt wordt het voortbestaan van deze planten bedreigd. De wortels dienen tot verankering van de plant. De stengels kunnen tot tien meter lang worden en zijn soepel en buigbaar. De drijvende bladeren kunnen hierdoor aanpassen aan de waterstand, waardoor de lichtopname niet in het gedrang komt. Andere soorten drijven, onafhankelijk van de bodem, net onder of boven het wateroppervlak. Er bestaan dus hydrofyten met zowel een submerse als emerse groeivorm. In beide gevallen zullen de voedingstoffen hoofdzakelijk via het blad opgenomen worden.

GAF Een afvoergebied of een cluster van peilgebieden met als gemeenschappelijk kenmerk dat ze via een gemeenschappelijk punt hun water lozen op een hoofdsysteem.

EAG Ecologische analysegebieden zijn nieuwe opdelingen van de bestaande af- en aanvoergebieden (GAF’s), meestal (delen van) polders. De opdeling in EAG’s is gemaakt op basis van een aantal kenmerken zoals vorm, verblijftijd, waterdiepte, strijklengte, de aanwezigheid van kwel of wegzijging en de afvoerrichting van het water. Een EAG valt altijd volledig binnen een afvoergebied. Af-en aanvoergebieden, maar ook KRW-waterlichamen, zijn dus opgebouwd uit één of meer EAG’s.

KRW Kaderrichtlijn water

N2000 Natura 2000 De verzameling van Nederlandse natuurgebieden die in Europees verband een beschermde status genieten (Vogel- en habitatrichtlijngebieden).

EKR Ecologische kwaliteitratio, een getal tussen 0 en 1 waarmee de kwaliteit van een ecologische parameter wordt aangegeven. 0 is zeer slecht, 1 is zeer goed. De grens voor het GEP wordt gewoonlijk bij een EKR van 0,6 gelegd.

Biologisch kwaliteitselement Een ecologische groep de waarmee de situatie van het waterlichaam wordt beoordeeld. Gebruikt worden: fytoplankton en diatomeeën (algen), waterplanten, macrofauna (waterdieren) en vissen.

Maatlat Een schaal die gebruikt wordt om de situatie van een ecologische parameter te beoordelen. De uitkomst is een EKR.

Deelmaatlat Voor elk biologisch kwaliteitselement zijn één of meerdere deelmaatlattenonderscheiden op basis van de soortsamenstelling en de (relatieve) aanwezigheidvan soorten, en voor vis de leeftijdsopbouw. De uitkomst is een EKR.

Indicator Een verder opdeling van biologische deelmaatlatten. De uitkomst is in een aantal gevallen een EKR.

GEP of KRW doel De KRW heeft voor natuurlijke waterlichamen als doel dat een goede toestand (zowel ecologisch als che-misch) moet worden gehaald (GET). Voor de kunstmatig of sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen moet een goed ecologisch potentieel (GEP) en een goede chemische toestand worden bereikt. Het GEP voor rijkswateren wordt afgeleid door Rijkswaterstaat namens de Ministers van Infrastructuur en Waterstaat, Economische Zaken en Klimaat (en mogelijk Landbouw, Visserij en Voedselveiligheid) en gepresenteerd in het Beheerplan rijkswateren (BPRW, vastgesteld door de ministers). De provincies zijn verantwoordelijk voor het afleiden van het GEP voor regionale wateren. Dit gebeurt in regionale waterplannen. Hoewel de provincie formeel het GEP moet vaststellen in het regionaal waterplan, levert het waterschap vanwege de kennis over watersystemen meestal het GEP aan, als beheerder van het regionaal oppervlaktewaterlichaam. Beide kunnen hierbij de Handreiking KRW-doelen volgen. De KRW biedt uitzonderingsmogelijkheden waarbij het doel later (doelvertraging) of niet (minder streng doel) gehaald hoeft te worden. Alleen in het laatste geval is het GEP niet meer het doel. In deze handreiking is het GEP-synoniem voor het doel, tenzij anders aangegeven. In hoofdstuk 3 en 4 wordt het afleiden van de doelen technisch beschreven.

SGBP Naast het definiëren van waterlichamen en doelen schrijft de KRW voor dat er stroomgebiedbeheerplan-nen (SGBP) worden opgesteld (art. 13 KRW). De bouwstenen van de stroomgebiedbeheerplannen staan in de waterplannen van het Rijk en de provincies en in de beheerplannen van de waterbeheerders. De SGBP’s geven een overzicht van de toestand, de problemen, de doelen en de maatregelen voor het verbeteren van de waterkwaliteit voor de inliggende waterlichamen. Nederland kent vier stroomgebieden: Rijn, Maas, Schelde, en Eems. De beheerplannen voor de stroomgebie-den worden iedere zes jaar geactualiseerd. Volgens bijlage VII van de KRW bevatten de SGBP’s onder andere:de beschrijving van de kenmerken van het stroomgebieddistrict;de ligging, begrenzing en typering van waterlichamen (voor sterk veranderd en kunstmatig inclusief een motivering); de huidige toestand op basis van de resultaten van de monitoring over de afgelopen periode;de doelen voor waterlichamen en een eventueel beroep op uitzonderingsmogelijkheden inclusief motivering; een samenvatting van de te nemen maatregelen om de doelen te bereiken.

Watersysteemanalyse Om goede keuzes te maken voor doelen en maatregelen is het essentieel te weten hoe een waterlichaam werkt. De systeemanalyse heeft als doel inzicht te verschaffen in het systeemfunctioneren, wat via verschillende methoden bereikt kan worden. Dit vormt het vertrekpunt voor het antwoord op de vraag hoe (met welke maatregelen) kan worden gekomen tot een betere toestand. Zonder goed inzicht in het systeem-functioneren is het risico groot dat niet de juiste maatregelen in beeld zijn, of dat maatregelen uiteindelijk niet opleveren wat ervan wordt verwacht.